Vandaag een uitstapje gemaakt naar een bekerwedstrijd in de 1e ronde van de Basketball Cup Vrouwen Senioren. Een wedstrijd waar aan de tafel meer fouten gemaakt werden dan op het veld (19). Maar ze zaten er wel. En daarvoor hulde !
Toen ik thuis kwam las ik onderstaand stukje. Ik zou het kunnen vertalen naar het basketbal, maar dit is zo treffend voor de huidige tijd en voor zo vele sportverenigingen, dat een ieder zich er een voorstelling van kan geven hoe dat is bij uw lokale sportvereniging. Ook na het alarmerend bericht van Arnhem Eagles (clicky) is dit wel iets om wederom aandacht voor te vragen
DE JEUGDSPELER DIE ER ZATERDAG MISSCHIEN NIET IS…
Er was een tijd waarin een jeugdtrainer op woensdagavond na de training gewoon zei: “Zaterdag match om 10 uur, verzamelen om 9 uur.”
Dat was een betrekkelijk eenvoudige mededeling. Hij had tien of twaalf spelertjes, iedereen was er, de ouders reden stipt op tijd en het grootste logistieke probleem was wie er die week de truitjes moest wassen. Vandaag maakt een jeugdtrainer geen selectie meer. Hij maakt een risicoanalyse. Want een jeugdploeg begeleiden is tegenwoordig een bezigheid waarvoor je eigenlijk een diploma crisismanagement, een grondige kennis van de menselijke psychologie en bij voorkeur ook enige ervaring bij de luchtverkeersleiding nodig hebt.
Wie heeft er een verjaardagsfeestje of scoutsweekend? Wie heeft zaterdagvoormiddag ‘een rustdag nodig’ voor school? Wie zit in het weekend bij mama, wie bij papa en wie is het adres van het uitveld vergeten? Wie heeft een snotneus? Wie heeft in een onoplettend moment beloofd om met het gezin een weekendje naar de Efteling te gaan en beseft pas op vrijdagavond dat de U11 daardoor met één wisselspeler overblijven? Welke ouder heeft nog niet geantwoord in de WhatsApp-groep van het team?
Welkom in het jeugdvoetbal anno nu. We hebben spelers. Veel spelers zelfs. De reeksen zitten vol en veel clubs werken zelfs met een wachtlijst. We weten alleen nooit precies wanneer welke spelers er zijn. Dat klinkt misschien als gezeur van oudere trainers die vinden dat vroeger alles beter was. Dat was het uiteraard niet. Vroeger speelden we op een veld dat meer weg had van een aardappelveld dan van gras, kreeg je na de match een droge koek en werd een doorgetrapte schoen opgelost met een natte spons en de vraag: “Kun je nog lopen?” Als het antwoord “ja” was, mocht je voort. Vooruitgang en betere begeleiding bestaan gelukkig dus wel degelijk.
Maar ergens onderweg is er iets veranderd in onze verhouding tot ENGAGEMENT.
Voetbal is voor veel gezinnen iets geworden wat moet passen in een overvolle weekendagenda, ergens tussen de muziekschool, de padelcompetitie van papa, de brunch en de verjaardag van tante Nicole. En dat is op zichzelf begrijpelijk. Niemand hoeft een belangrijk familiefeest te missen voor een wedstrijd van de U9. We spreken nog altijd over jeugdsport en plezier. Alleen lijkt “jeugdvoetbal” tegenwoordig soms vertaald te worden als “vrijblijvende opvang op woensdagavond, vrijdagavond en zaterdagochtend”. En dat is iets heel anders.
Een ploegsport is namelijk gebaseerd op een merkwaardig en tegenwoordig bijna revolutionair principe: dat andere kinderen en de trainer op jou rekenen.
Dat klinkt eenvoudig. Het is het niet. Want we leven steeds meer in een wereld van ‘op aanvraag’. Een film bekijken we wanneer het ons uitkomt. Eten laten we aan de deur leveren. Muziek luisteren we zonder te wachten. Een weekendje weg boeken we op woensdagavond omdat het toevallig goedkoop is.
Maar jeugdvoetbal weigert zich daaraan aan te passen. Een wedstrijd begint zaterdag om half tien. Niet wanneer iedereen uitgeslapen is. Er staan 4, 7 of 10 ploegmaats op het veld die graag willen voetballen en die rekenen op hun teamgenoten. En daar wringt het soms. Clubs en trainers passen zich steeds meer aan aan de individuele agenda’s van gezinnen, terwijl het besef dat je deel uitmaakt van een team soms naar de achtergrond verdwijnt.
We maken grotere kernen omdat we weten dat tijdens de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie, én alle verlengde weekends, ongeveer de helft van de ploeg op de skilatten staat of in de Ardennen zit. Binnenkort heeft een U12-trainer veertien spelers nodig om op zaterdag met acht te kunnen beginnen. En zelfs dan staat de trainer soms op vrijdagavond nog wanhopig naar de U11 trainer te bellen met de vraag of hij misschien 2 spelers mag lenen.
Maar het probleem zit dieper dan aanwezigheid op het veld alleen.
Vraag eens op een wedstrijddag welke ouders willen helpen op het jaarlijkse jeugdtoernooi of de eetdag. Dan valt er doorgaans een stilte die zo diep is dat je de koelkast in de kantine hoort zoemen. Iedereen vindt de club geweldig voor hun kind. Tot er stoelen en tafels moeten worden klaargezet… Iedereen wil dat de kleedkamers proper zijn. Tot er een doorschuifschema voor de schoonmaak wordt voorgesteld… Iedereen wil dat de keeper een keepertrainer krijgt, dat de truitjes blinken en dat de gediplomeerde trainers klaarstaan. Maar wanneer de vereniging vraagt om wafels te verkopen om dat allemaal te financieren, blijkt de agenda van veel mensen plots overvol.
Want ergens is het idee ontstaan dat een voetbalclub een dienstverlener is. De club levert: een veld, ballen, een gediplomeerde trainer, gediplomeerde jeugdcoördinatoren, kledij, een verzekering en een drankje na de match. En de ouder? Die levert het kind af aan de poort en kijkt eventueel drie kwartier op zijn telefoon vanaf de zijlijn. Dat lijkt een gemakkelijke regeling, behalve dat een jeugdvereniging zo niet werkt. Een sportclub is namelijk geen binnenspeeltuin waar je een toegangsticket voor koopt.
Een jeugdclub draait niet op contributie alleen. Ze draait op mensen.
* Op die ene vrijwilliger die al twaalf jaar elke zaterdagochtend om 7u30 de kantine opent, de koffie zet en van wie 80% van de ouders de naam niet kent.
* Op de jeugdtrainer die na een werkdag van negen uur in de regen staat om training te geven aan zestien energie-kinderen
* Op de kantine-verantwoordelijke en haar man die de AA-drink en chips op tijd aanvult én liefst ook de tafel afruimt.
* Op de ouder die wél altijd rijdt naar uitwedstrijden en zomaar drie spelertjes extra meeneemt op de achterbank.
Dat is het grootste risico voor ons jeugdvoetbal. Niet dat ouders hun kinderen niet graag zien voetballen. Maar dat steeds minder vrijwilligers steeds meer moeten opvangen. Tot ze stoppen. Niet met een boze brief. Ze stoppen gewoon. Ze zeggen: “Laat een ander het maar eens doen.” En zes maanden later vraagt iemand: “Wie regelt dit jaar eigenlijk het jeugdtoernooi?” Waarop het stil blijft.
We praten veel over talentontwikkeling, techniek en tactiek, maar veel te weinig over verenigingsgeest. Een goede spits kweek je wel met training. Maar probeer maar eens iemand te vinden die op zaterdagochtend vrijwillig om acht uur alle doelen klaarzet op de vele velden. Daar bestaan geen transferlijsten voor.
Misschien moeten we daarom opnieuw uitleggen wat lid worden van een jeugdclub eigenlijk betekent.
* Niet: ik betaal lidgeld, dus de club moet mijn kind entertainen.
* Niet: mijn zoon speelt hier, dus ik verwacht dat hij elke week elke minuut speelt, ongeacht of hij komt trainen.
Een club is geen abonnement. Een club is een gemeenschap. Je krijgt iets — een fantastische hobby voor je kind, beweging, vriendschap, discipline en plezier. En je geeft iets terug. Voor de ene is dat stipt op tijd melden of je kind aanwezig is. Voor de andere is dat eens rijden naar een uitmatch, een keer helpen in de kantine, de truitjes wassen, of gewoon de trainer bedanken na de match.
Het hoeft niet veel te zijn. Als het maar van velen komt.
Want dat is het mooie aan jeugdvoetbal: niemand kan een club alleen dragen. Je kunt de modernste velden leggen en de duurste ballen kopen. Maar als er op zaterdagochtend niemand is om de poort van het complex van de grendel te halen, blijft het stil. Een ploegsport leert kinderen iets wat ze nergens anders zo snel leren: dat je onderdeel bent van een geheel. Dat je er staat voor je vriendjes. En dat afspraken nakomen waardevol is.
Aanstaande zaterdag begint er weer een nieuw voetbalweekend. Overal zullen jeugdtrainers puzzelen met hun opstellingen. Vrijwilligers zullen de kleedkamers openmaken en AA-Drink koud zetten. Ouders zullen op de tribune of langs de lijn staan met een kop warme koffie in de hand. En ergens zal een ouder om 08.42 uur een bericht sturen naar de trainer: “We staan in de file, we zijn er over 10 minuten!” (De aftrap is om 09.00 uur).
Om 08.54 uur komt de auto de parking op gereden. Het spelertje stapt uit, veters half los (de trainer zal ze wel binden), voetbaltas over de schouder. Hij rent naar zijn team. En vreemd genoeg is iedereen blij dat hij er is. Want zo werken jeugdclubs. We zuchten als de communicatie moeilijk gaat, maar zodra die kinderen dat veld op rennen en achter die bal aan gaan, weet iedereen weer waarvoor we het doen. Ouders, trainers, vrijwilligers en bestuursleden supporteren en moedigen aan.
Alleen zou het fijn zijn als we samen onthouden dat bij een club horen ook betekent dat er op elkaar gerekend mag worden. Want 5, 8 of 11 spelertjes maken een team. Maar honderd betrokken ouders en vrijwilligers maken de club.
En wanneer iedereen denkt dat ‘iemand anders’ het wel zal oplossen, staan onze kinderen op een dag op het veld…
Zonder trainer.
Zonder kantine.
Zonder uitrusting.
Zonder club.
Vrij ver(t)(h)aald naar ‘Verhalen van langs de zijlijn’ van Jules Panenka — Voor alle jeugdtrainers, afgevaardigden, bestuursleden en vrijwilligers die elke week opnieuw de puzzel leggen.